Bhagavad Gita Hoofdstuk 2 vers 12: Ben ik het lichaam of een ziel?

na tv evaham jatu nasam / na tvam neme janadhipah

na caiva na bhavisyamah / sarve vayam atah param

tu eva—zeer zeker; na—nooit; jatu—op enig moment; aham na asam—bestond Ik niet; na—noch; tvam—jij; na—noch; ca—ook; ime—deze; jana-adhipah—koningen;
na—noch; atah param—in de toekomst; sarve vayam—wij allemaal; eva—zeker; na bhavisyamah—zullen niet bestaan.

Nooit was er een tijd wanneer Ik niet bestond, noch jij, noch al deze koningen; noch zal er in de toekomst iemand van ons ophouden te bestaan.

Sarartha-Varsini

Krsna stelt de vraag, “O Mijn vriend, Arjuna, wanneer iemand rouwt om de dood van een dierbaar persoon, wat is dan het object van zijn liefde, het lichaam of de atma?” In Srimad-Bhagavatam (10.14.50) wordt gezegd:

sarvesam api bhutanam / nrpa svatmaiva vallabhah

“O koning, voor alle jiva’s is de atma zeker het meest dierbaar.” Volgens deze verklaring van Sri Sukadeva Gosvami is het de atma die het enige voorwerp van liefde is. Hoewel er een verschil is tussen Isvara en de jiva, zijn beide soorten atma eeuwig en vrij van dood. Dus is het niet de atma die het voorwerp van rouw is. Alleen om deze reden spreekt Sri Krsna deze sloka beginnend met na tv evaham. “Het is niet waar dat Ik, Paramatma, in het verleden niet bestond. Ik bestond zeker wel. Evenzo bestond jij, de jiva, ook in het verleden, net als de jiva’s die al deze koningen zijn. De mogelijkheid van het niet bestaan van de ziel voorafgaand aan zijn bestaan in zijn huidige lichaam wordt door deze verklaring weerlegd. Evenzo is het ook niet waar dat jij, deze koningen en Ik, niet zullen blijven bestaan in de toekomst. We zullen allemaal blijven bestaan.” Zo is het bewezen dat de ziel onverwoestbaar is. In dit verband verklaart de Katha Upanisad
(2.2.13): nityo nityanam cetanas cetananam / eko bahunam yo vivadhati kaman. “Hij die de allerhoogste eeuwige is onder alle eeuwige wezens, het allerhoogste bewuste wezen onder alle bewuste wezens, vervult de verlangens van alle levende wezens.”

Sarartha-Varsini
Prakasika-vrtti

Het contact van de jiva met het stoffelijke lichaam wordt geboorte genoemd, en verwijdering ervan wordt dood genoemd. Wanneer de jiva in het stoffelijk lichaam is geplaatst, hebben mensen liefdevolle omgang met elkaar. Maar die onwetende personen, die het stoffelijke lichaam voor de atma aanzien, beseffen niet dat het ware zelf niet materieel is, en dus gaan ze op in rouw wanneer een jiva uit een lichaam verdwijnt.

In Srimad-Bhagavatam vroeg Srila Sukadeva Gosvami aan Pariksit Maharaja, “O brahmana, Sri Krsna was niet voortgekomen uit dezelfde ouders als die van de andere koeherdersjongens. Hoe was het mogelijk voor die ouders om zulke ongeevenaarde prema voor Hem te hebben, die ze niet eens voor hun eigen kinderen hadden?” In antwoord hierop zegt Srila Sukadeva Gosvami, “O koning, voor alle levende wezens is diens eigen zelf (atma) het meest dierbaar. Hoewel wezens en dingen die afgezonderd zijn van iemands zelf zoals een zoon, rijkdom, huis en andere voorwerpen dierbaar zijn aan het zelf, zijn ze niet zo dierbaar als het zelf op zich. Het is secundair aan de genegenheid die men heeft voor diens eigen zelf. O Koning, de genegenheid die een belichaamde ziel heeft voor datgene waarvoor hij bezittelijkheid voelt, zoals een zoon, rijkdom en huis, is het niet hetzelfde als de genegenheid die hij voelt voor zijn eigen zelf.” Met andere woorden, er is een verschil tussen ‘ik’ en ‘mijn’. De hoeveelheid priti (genegenheid) die men heeft voor voorwerpen die men in bezit heeft staat niet gelijk aan de priti die men heeft voor diens eigen zelf. Degenen die het lichaam voor het zelf aanzien vinden niet dat de dingen die gerelateerd zijn aan het lichaam, zoals een huis, een vrouw, of een zoon zo dierbaar zijn tot hun als hun eigen lichaam. En hoewel het lichaam van een persoon het object is van zijn genegenheid, is het niet zo dierbaar tot hem als het zelf, want zodra het lichaam oud wordt, blijft het verlangen om te overleven nog steeds sterk. Dit komt door de buitensporige gehechtheid die men heeft voor het zelf. Omdat Sri Krsna het juiste Zelf van het zelf is, is Hij het meest dierbare object (priyatma) voor iedere atma. De wereld, die in verband staat met Krsna, is ook dierbaar, maar niet het meest dierbaar. En datgene dat gerelateerd is aan Krsna, zoals het universum, is het object van het woord ‘mijn’. Dat is waarom Krsna zo dierbaar is aan de koeherdersjongens.

De bovenstaande verklaringen worden ook bevestigd door het gesprek tussen Yajnavalkya en Maitreyi in Brhad-aranyaka Upanisad (2.4.5), waar wordt gezegd:

sa hovaca na va are patyuh kamaya priyo

bhavaty atmans tu kamaya patih priyo bhavati na

va are sarvasya kamaya sarvam priyam

bhavaty atmanas tu kamaya sarvam priyam bhavati

De grote wijze Yajnavalkya zei tegen Maitreyi, “Geen levend wezen houdt van een ander ten behoeve van de genoegdoening van een ander. Alleen voor eigen genoegdoening houdt de man van zijn vrouw, de vrouw van haar man, de vader van zijn zoon, en de zoon van zijn vader. Een persoon is niet dierbaar voor de genoegdoening van iemand anders, maar voor het geluk en de genoegdoening van diens eigen zelf (atma).”

No comments yet.

Leave a Reply