Het Guru principe

In het spirituele India staat het volgen van een geestelijk pad gelijk aan het accepteren van een guru, of geestelijk leraar. Zonder geestelijke gids wordt het niet mogelijk geacht veel vooruitgang op het spirituele pad te boeken. De geschiedenis waarschuwt ons evengoed voor valse profeten, dus er is goede reden voor voorzichtigheid.

Voor veel mensen is het sinds lang geen serieuze overweging meer om zich van een geestelijk leider afhankelijk te stellen. Van de Amerikaanse televisie­dominees tot Lou de palingboer die dacht dat hij God was, de geschiedenis is rijk aan voorbeelden van “guru’s” die onder religieuze voorwendselen talloze gelovige mensen hebben misleidt, vaak ten gunste hun eigen zelfzuchtige belangen. Het heeft tot een situatie geleid waarin veel mensen zelf wensen te bepalen wat goed voor hun is. Mocht er nog interesse bestaan om liefde voor God en medemens te ontwik­kelen, dan is daar zeker geen bemiddelaar meer bij nodig in de vorm van een geestelijk leider. Deze lijkt eerder een obstakel te vormen dan een hulp op het pad naar waarheid en vrede.

Maar is dit werkelijk zo? Dat spirituele tradities als de Indiase het belang van de guru op de eerste plaats zetten zet aan tot nadenken. Het principe van de geestelijk leider is overigens niet beperkt is tot het Hindoeïsme. In het Jodendom en Christendom nemen de profeten een centrale positie in, wiens plaats tegenwoordig ingenomen wordt door rabbi’s en priesters. En in het Boeddhisme getuigen de aanwe­zigheid van Rimpoches en geïncarneerde Lama’s van het guru-principe. Is dan misschien toch de baby met het badwater weggegooid? De argumenten die het belang van de guru benadrukken blijken niet onredelijk te zijn.

In de breedste zin van het woord betekent guru ‘leraar’. Het systeem dat de leraar de leerling onder­richt is natuurlijk een universeel principe. Voor alles waar men zich in wil bekwamen is een leraar nodig. Bijvoorbeeld, voor het goed leren bespelen van een muziekinstrument is het belangrijk een goede leraar te benaderen. En van wie leerden we zo vloeiend spreken na onze geboorte? Terwijl de leraar duidelijk in elk aspect van het leven aanwezig is, is het opmerkelijk dat juist op het geestelijke vlak een bepaalde afkeer ontwikkeld lijkt te zijn ten opzichte van dit universele principe.

De oorzaken hiervan zijn divers. We noemden eerder al het punt van de valse profeten. Maar meer recentelijk lijkt de herontdekking van de nieuwe spiritualiteit, namelijk dat God in onszelf is in plaats van de kinderlijke voorstelling van de Vader in de Hemel, aan de overbodigheid van de geestelijk leraar te hebben bijgedragen. Religieuze dogma’s die niet meer in staat zijn dringende vragen te beantwoorden hebben plaatsgemaakt voor vrije interpretaties, en de mens hoeft alleen nog verantwoording af te leggen aan zichzelf, want God is in hém. Ondertussen lijkt voor de mensheid het morele bankroet nabij. Een her ­evaluatie lijkt daarom hard nodig om het nobele principe van de geestelijke gids eerherstel te geven.

Het belangrijkste punt waar we bij een evaluatie als deze rekening mee moeten houden, is het verschil tussen vals en echt. Vals is altijd sterker vertegenwoor­digd dan echt. Voor een stukje echt goud is er zoveel namaak te krijgen. Tot het beste van onze vermogen moeten we proberen ons niet aan een valse profeet over te geven. Hoewel we over het algemeen beheerst worden door gewoonten, is er tot op zekere hoogte nog steeds de mogelijkheid van de vrije keuze, met name onder de menselijke wezens. Anders zou correctie onmogelijk worden en veranderd straf in wraak. Wat is nu het specifieke belang van de geestelijk leraar? En waaraan kunnen we hem herkennen?

Swami B.R. Sridhar schrijft in zijn klassieke boek dat de positie van de guru verduidelijkt: “Vergissen is menselijk. Omdat we onvolmaakt zijn, is het onvermij­delijk dat we ons vergissen. Maar het is stellig zo dat niemand onvolmaakt wil blijven. In ieder levend wezen is iets aanwezig dat naar het volmaakte streeft. Als dat niet zo zou zijn, zouden we geen enkele behoefte voelen. Ons streven naar volmaaktheid is evenwel erg zwak en beperkt, anders zouden we ons doel meteen bereiken. Ons beperkte vermogen en ons streven naar volmaaktheid scheppen ruimte voor de gids, of guru. Omdat het onvolmaakte onvolmaakt is, heeft het hulp van buiten nodig om tot de volmaaktheid te naderen. De Volmaakte zou niet volmaakt zijn, als Hij (God) Zichzelf niet zou kunnen doen gelden of anderen helpen, en dat natuurlijk uit Zichzelf. Dus behoort de leiding, nodig om tot volmaaktheid te komen, uiteraard de Allerhoogste toe, en het medium waardoor deze leiding zich openbaart is Sri Guru, de geestelijke gids.”

Een betrouwbare guru is niet iemand die ons materieel en geestelijk uitbuit in naam der verlichting en vergeving van zonden. De ware guru is een zelf-gerealiseerde ziel, vol liefde voor elk levend wezen en aan elke vorm van materiele gehechtheid ontstegen. Hij leeft in constante verbondenheid met de diepste bron van het leven en ziet zichzelf als dienaar van iedereen, omdat hij in ieder wezen een dienaar van God ziet. Zo’n zelf-gerealiseerde leraar wordt in het Sanskriet (de taal van de Veda’s, de heilige geschriften van India) acarya genoemd. Dat betekend: hij die onderricht door het voorbeeld te geven. Zo kwam er eens een moeder met haar zoontje bij een guru. Ze vroeg aan hem of ze haar zoontje van zijn snoepgewoonte af kon helpen. De leraar antwoordde: “kom over twee weken terug.” Toen de vrouw en haar zoontje na twee weken bij de guru verschenen, zei deze met een gebiedende donderstem tegen de jongen: “van nu af stop je met snoepen!” De moeder van het kind vroeg verbaasd, “maar had u dat twee weken eerder ook niet kunnen zeggen?” Waarop de guru antwoordde: “ik moest eerst zelf het snoepen afleren.” Tevens betekent guru ‘zwaar’, en heeft in dit verband betrekking op de onwrikbare positie van de guru als het op geestelijk kennis en realisatie aankomt. Deze ware geestelijke gids, die altijd het beste met zijn leerlingen voor heeft, is bijzonder schaars. Toch roepen spirituele tradities als het Gaudiya Vaisnavisme ons op naar hem op zoek te gaan, want hij is degeen die de diepste oorzaak van ons lijden weg kan nemen, en ons naar de oever van het eeuwige geluk kan lijden.

De Gaudiya Vaisnava traditie onderscheidt twee verschillende soorten guru’s. Als eer­ste is er de innerlijke guru. Dit is de opperziel in het hart van ieder levend wezen, en wordt paramatma -of ons geweten- genoemd. Deze opperziel is een directe expansie van God (Bhagavan), die als stille getuige de verrichtingen van de individuele ziel in de materie gade slaat, maar zelf on­bewogen en onaangetast blijft. Pas als de ziel naar de uitgang van de wereld van het lijden begint te zoeken, zal paramatma als innerlijke gids funge­ren en de ziel naar de tweede soort van guru leiden, de uiterlijke guru. Omdat het bewust­zijn van de gebonden ziel in het beginstadium van het spirituele pad nog niet helder genoeg is om de innerlijke guru te verstaan, heeft ze de uiterlijke guru nodig om in haar spirituele groei begeleid te worden. De potentie is innerlijk aanwezig, maar om deze tot bloei te doen ko­men is er een initiatief van buitenaf nodig, net zoals een auto met een lege accu geduwd moet worden om zich op te laden en daarna weer op eigen kracht verder te rijden. De uiterlijke guru manifesteert zich op actieve en passieve wijze, respectievelijk als de geestelijk leraar en de geschriften. Om te weten of we een goede guru treffen, en geen ‘self-made’ imitator, moeten we de bron traceren. De waarheid kan zich overal manifeste­ren, maar komt altijd door het medium van een geeste­lijke traditie van actieve gidsen die de passieve gidsen op de juiste wijze weten te interpreteren. Dit belang­rijke principe van geestelijke opvolging wordt guru-parampara genoemd.

De Vedische geschriften geven ons de volgende analogie betreffende de relatie tussen de guru en de discipel (sadhaka). De discipel wordt vergeleken met een lotus, God als de zon, en de geestelijk leraar als het verkoelende water dat de lotus omringt. Zonder het water zou de intensiteit van de zonnestralen de lotus verbranden. Het water biedt bescherming aan de lotus, en zorgt ervoor dat de lotus op de juiste wijze van het zonlicht kan leven. De guru treedt op deze manier op als middelaar tussen de mensheid en God. De spirituele dimensie kan niet op eigen kracht benaderd worden. Hiervoor is de gids nodig, die we op een bescheiden en oprechte wijze onze vragen moeten stellen, in het gemoed van dienstbaarheid.

Alleen via de weg van nederige inlichting en dienstbaarheid kunnen we hopen ooit in harmonie te komen met het hoogste centrum. Als de jiva haar kracht hiervoor aanwendt, is alles juist gekanaliseerd. Het accepteren van een geestelijk leraar betekend nooit dat het eigen initiatief opgeof­ferd wordt, maar dat het eigen initiatief op aanwijzing van de geestelijk leraar op de juiste wijze gekanaliseerd wordt: van uitbuiting naar toewijding, ofwel: van zelfzucht naar liefde.

De guru leert de discipel om God liefdevol te dienen. Hiervoor moet hij zelf een dienaar van God zijn. In wezen is iedere ziel (jiva) bij consti­tutie een dienaar van God, maar de guru heeft zich zijn eeuwige dienaar-schap gerealiseerd. Iemand die als guru dient, is niet God, maar een geliefde van God, en de dierbaarste vriend van de discipel. Dienstbaarheid wordt in het sanskriet bhakti-yoga genoemd, de yoga (verbindingsweg) van toewijding. Via bhakti kunnen we naderen tot het domein van liefde, want ware liefde kan alleen ervaren worden door onzelfzuchtige toewijding aan die liefde. Zodra er condities aan liefde gesteld worden is ze niet onvoorwaardelijk meer, en verliest ze haar belangrijkste eigenschap: spontaniteit. Bhakti is spontane toewijding aan de bron van alle liefde en die bron is persoonlijk en die persoon is God. Hierin ligt onze hoogste vrijheid en ons grootste geluk besloten. Maar op het huidige moment zijn we losgekoppeld van het vooruitzicht van Goddelijke liefde, die we in de diepste regionen van ons hart koesteren. Als we ons hiermee willen herverbinden, dan moeten we de Heer op eenvoudige en eerlijke wijze benaderen, met een open lichaam en geest, zonder iets te verbergen.

Bron: Gaudiya Vedanta Vol.1 nr.1

No comments yet.

Leave a Reply